Achtergrond van uitwendige therapie

 

Hoe is uitwendige therapie te begrijpen?

De uitwendige therapie dankt zijn werkzaamheid aan het vermogen van de huid om waar te nemen. Alle zintuigorganen zijn tijdens de embryonale ontwikkeling uit de huid ontstaan. Hoe meer de zintuigfunctie op een bepaald gebied is geconcentreerd, hoe wakkerder de waarneming is. Oog en oor spelen een centrale rol in ons bewustzijn. De ons geheel omhullende huid is in zijn waarnemingskwaliteit veel 'dromeriger' en algemener. De bewustzijntoestand is vergelijkbaar met de innerlijke situatie in de vroegste jeugd.

Hoe jonger een kind des te krachtiger is het vermogen om na te bootsen. Het kleine kind zet de wereld nog niet op een afstand, bijvoorbeeld door er een oordeel over te hebben, maar doet vol overgave de wereld na. De uitwendige therapie berust op deze 'op lager niveau verschoven waarnemingsactiviteit', zoals Rudolf Steiner het in een voordracht uitdrukt. Men zou het ook een vroege of jonge vorm van waarnemen kunnen noemen. Die vorm van waarnemen blijft ook op latere leeftijd bestaan. En dan wordt duidelijk: het organisme doet de beweging van het medicament, dat via de huid wordt waargenomen, na.

Bijvoorbeeld een inwrijving met rozemarijn activeert de warmte in de stofwisseling, thijm activeert de warmte in het ritmestelsel en lavendel activeert de warmte in het zenuwzintuigsysteem. Zo heeft elke plant zijn eigen kracht.

Het gaat er dus niet om welke stoffen het bezit, maar om het totaalbeeld wat die geeft. De stoffen op zich zijn namelijk ook weer een uitdrukking van een geestelijke waarheid.

Voor deze waarneming is ruste en stilte nodig.

Het organisme dient niet afgeleid te worden door andere indrukken.